Maandelijks archief: januari 2009

Moord en doodslag

‘Nederland wordt geteisterd door een columnistenplaag,’ hoorde ik een mediadeskundige onlangs zeggen. En inderdaad, er zijn inmiddels bijna meer columnisten dan deskundigen. Goede kans dat ook u een échte columnist kent. Of zelfs bent, zoals ik. Hetzelfde geldt voor blonde thrillerschrijfsters: Esther Verhoef, Annet de Jong, Marion Pauw, Saskia Noort, Simone van der Vlugt… En dan schrijven deze dames ook nog eens sneller dan God kan lezen.

Van laatstgenoemde blondine verscheen onlangs ‘Herfstlied’, dat zich afspeelt in Leiden. Onze stad (qua inwonertal de achttiende stad van ons land*, die in de hitlist van de grote misdaad godzijdank al helemaal nauwelijks meetelt) als decor voor moord en doodslag, en een journaliste van het Leidsch Dagblad die persoonlijk bij de zaak betrokken raakt… Hoewel ik me nauwelijks kan indenken dat zoiets echt in Leiden zou kunnen gebeuren is Van der Vlugt niet de eerste blonde thrillerschrijfster die met een boek over Leiden als moordstad komt: Maartje ’t Hart deed in 1983 met ‘De kroongetuige’ hetzelfde.

Ik heb nog geen tijd gehad om ‘Herfstlied’ te lezen omdat ik het momenteel te druk heb met het meelezen van het zijn voltooiing naderende tweede boek van Annet de Jong, de blonde thrillerschrijfster uit míjn vriendenkring. Zodra dat bij de uitgever ligt ga ik op vakantie, met ‘Herfstlied’ in mijn koffer. Ongetwijfeld een probaat middel tegen eventuele heimwee!

* Net als het Italiaanse Prato, het Finse Porvoo, het Duitse Bielefeld, het Portugese Odivelas en het Britse Wolverhampton is Leiden de achttiende stad van het land. En dat is ook de oplossing van mijn kerstpuzzel van vijf weken geleden. Ik heb helaas geen oplossingen mogen ontvangen, laat staan goede. Het te winnen exemplaar van ‘Herfstlied’ hou ik dus lekker zelf…

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Vreemd

Afgezien van een stage van drie maanden bij een literair uitgeverijtjeshuis in Amsterdam, heb ik mijn hele leven in Leiden gewoond en gewerkt. Van de kleuterschool tot en met de universiteit was de Sleutelstad mijn stad, en ook voor mijn daily job hoefde ik die stad nauwelijks uit. Tot vorige week, want inmiddels ga ik vreemd: vier dagen per week verlaat ik nu ’s ochtends de stad en wandel ik via de Groene Maredijk en de Leidse Hout naar Oegstgeest, waar mijn bureau intussen een nieuw plekje heeft gekregen.

Het voelt best vreemd om opeens een andere route te bewandelen, eentje die níét dwars door de Leidse binnenstad gaat. Stadsmens als ik ben heb ik al vogels gezien die ik nog maar zelden eerder zag en geluiden gehoord waarvan ik geen idee heb welke vogel ze in vredesnaam voortbrengt. Wist u trouwens dat het in Oegstgeest de gewoonte is elkaar te groeten op straat – ook als je elkaar helemaal niet kent?

De Leidse Hout, doordeweeks een rustig stukje Leiden waar dan vooral Leidse en Oegstgeester hondenbezitters elkaar ontmoeten, werd rond 1930 met rijkssubsidie aangelegd als werkgelegenheidsproject. Wat een verbluffend goed idee was dat! Nu, tachtig jaar later, staan er ten gevolge van de recessie opnieuw banen op de tocht. Misschien is het geen slecht plan om in onze stad nu vast na te denken over mogelijke klussen die bij wijze van werkgelegenheidsproject dan eindelijk eens geklaard kunnen worden. Toen ik aan het einde van een werkdag weer terug naar mijn eigen Leiden liep, lag er zo al een voor het oprapen, want van de drainage in de Leidse Hout deugt weinig: na wat regen staan niet alleen de grasvelden, maar ook de paden er blank. Wat mij betreft mogen de schoppen daar dus de grond in. Als ik onverhoopt mijn baan of deze column mocht verliezen, dan kom ik helpen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Leidse air

Toen burgemeester Lenferink vorige week maandag tijdens zijn nieuwjaarstoespraak vertelde dat de jaarwisseling in Leiden voor het eerst in jaren zonder noemenswaardige incidenten was verlopen, steeg er in de Pieterskerk een luid applaus op. Toen hij daar een tikje zelfgenoegzaam aan toevoegde dat dat het resultaat was van het beleid dat vijf jaar geleden door hem hoogst persoonlijk was ingezet, klonk het applaus al stukken gereserveerder.

De toespraak was sowieso nogal borstklopperig. De trotse burgervader kon niet nalaten te vermelden dat het Nieuwjaarsconcert een stuk van Dvořák bevatte dat speciaal voor hem was ingestudeerd, het in 2008 gevoerde beleid van zíjn College schilderde hij nogal eenzijdig als louter succesvol af (‘John, chapeau!’), en waar het tegenzat wees Lenferink naar anderen. Naar de maatschappelijke weerstand die nu maar eens een keer diende te verstommen, en naar de middenstand die ervoor gezorgd zou hebben dat het stationsgebied ‘er niet uitziet’. Wat dat eerste betreft leven we nu eenmaal niet in een keizerrijk maar in een democratie, met alle vormen van inspraak van dien. En als het om het stationsgebied gaat kan de gemeente – met haar blunders, haar ondoorzichtige regeltjes en de gebrekkige handhaving daarvan – de hand wellicht beter in eigen boezem steken.

‘Wat een air… Hij moet niet naast z’n schoenen gaan lopen,’ was een van de kritische reacties die ik opving nadat ook de jarige wethouder Gerda van den Berg nog was bejubeld. En inderdaad, Lenferink leek zich toch een klein beetje keizer in zijn eigen keizerrijkje te wanen. Was dát misschien die er nogal met de haren bijgesleepte band met Japan, die hem ertoe bewoog op z’n Japans te toosten (‘kampai!’)? Nee, dan hoor ik toch liever gewoon ‘prrroost!’, met zo’n lekker rollende Leidse r.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Tastbaar nabij

De feestdagen zijn voor u weer voorbij. De blauwspar waar u drie weken geleden nog twee tientjes voor neertelde, is bij de gemeente nu nog maar twintig cent waard – daar kan geen crisis tegenop! Ik verkeer echter nog altijd in feestsferen: na een relationeel jubileum, dat ik dit weekend in vakantiehuiselijke kring vierde, is het vandaag opnieuw tijd voor bubbels: dit is de honderdste Steeksleutels. Proost!

Qua aanhoudende feestroes is het voor mij dus wellicht minder vreemd dan voor u om nog even terug te blikken op kerstavond. Eigenlijk kom ik al een tijdje alleen nog maar in de kerk als er wat te drinken valt – tijdens het Whiskyfestival en de nieuwjaarsreceptie van de gemeente bijvoorbeeld. De Kerstnachtdienst in een bomvolle Pieterskerk was dus weer eens iets anders. Voorganger Ad Alblas wees zijn gehoor op de problemen in de wereld en predikte compassie. Er kwam zelfs een telefoonverbinding met Bethlehem aan te pas om aan te tonen hoe klein de wereld vandaag de dag is: alles is ‘bijna tastbaar nabij’. In het kader van de kerstgedachte mochten we vooral de ogen niet sluiten voor de nood van onze medemensen, waar ook ter wereld.

Vlak voor de dienst begon, gebeurde er echter iets opmerkelijks. Tijdens de eerste samenzang werd er iemand onwel. Het was zelfs zo ernstig dat er na een tijdje door ambulancebroeders met veel gerammel een brancard de kerk werd binnengereden. De dienst ging gewoon door. Sommige kerkgangers keken even om, de dominee maakte er al helemaal geen woorden aan vuil, en ook ik – afvallige – bleef zitten waar ik zat. Vreemd, vond ik dat, en nogal ongemakkelijk. Is er binnen de muren van je eigen kerk iemand in nood, sluit je de ogen (letterlijk, voor het gebed) en geloof je het verder wel. Hoe tastbaar nabij moet de nood dan aan de man zijn?

2 reacties

Opgeslagen onder Column