Maandelijks archief: februari 2016

Monopoly

In het Leidsch Dagblad las ik vorige week een leuk verhaal over een uniek, handgemaakt Leids Monopoly-spel, dat tijdens WOII of de wederopbouw door de vader van ene Ber Langezaal in elkaar was geknutseld. Economisch was er in die tijd nog een wereld te winnen én je kon in Leiden zelfs nog vrij parkeren. Hoe anders is dat nu. De ene na de andere winkel verdwijnt en vorige week sloot zelfs Vroom en Dreesmann zijn deuren.

Op valentijnszondag liep ik doelbewust een laatste afscheidsrondje door het twee jaar geleden nog zo fraai verbouwde, 80 jaar oude gebouw. Het monumentale trappenhuis met het glas-in-lood, het prachtige glazen plafond boven de horloges, het karakteristieke stijlkamertje achter de boekenafdeling – ik kon me niet voorstellen dat V&D echt uit Leiden zou verdwijnen. Maar de dag erna al stonden de roltrappen stil en was het warenhuis ‘wegens omstandigheden’ gesloten.

De hoop dat dat tijdelijk was – al was het maar omdat Vroom & Dreesmann een centrale plek in het voor het Leidse centrum zo belangrijke Aalmarktproject innam – vervloog een dag later: dinsdag viel het doek voor de winkelketen definitief. De lezers van Dichtbij (dat intussen ook al niet meer bestaat) lieten begin februari via Facebook nog weten welke winkelketens zij graag in Leiden zouden zien. Dat resulteerde in een lijst met namen als Marqt, Zara, Primark, Lush, Media Markt, Apple Store, Pathé, KFC, Bijenkorf en… Bram Ladage. Deze Rotterdamse patatbakker probeerde het al eens in Leiden, en het is maar de vraag in hoeverre de andere Monopoly-spelers die namens deze ketens aan zet zijn er nog brood in zien in onze stad te investeren. Dat steeds meer Leidse winkelstraten een woonbestemming krijgen en zelfs de Haarlemmerstraat een deel van zijn winkelfunctie verliest doet het ergste vermoeden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

RHL

In het Delftse Vermeer Centrum hangen 37 reproducties, op ware grootte, van schilderijen van de in Delft geboren Johannes Vermeer. Waar ik het ophangen van een Vermeer in een voetbalstadion een nogal lugubere actie vind, sluit deze permanente expositie naadloos aan bij wat ik in mijn column ‘Rembranding’ in oktober nog als idee voor onze stad opperde: precies zo’n overzichtstentoonstelling van het werk van ónze schilder, die hoe je het ook wendt of keert nog veel beroemder is dan zijn Delftse tijdgenoot.

Zo’n expositie van reproducties kan natuurlijk altijd nog, maar vorige week werd bekend hoe Leiden zich eind 2018 op de kaart zal zetten als de stad waar Rembrandt het licht zag en de eerste 25 jaar van zijn leven doorbracht. De tegen die tijd verbouwde en heropende Lakenhal zal dan de plek zijn waar een prestigieuze overzichtstentoonstelling van het werk van de jonge Rembrandt wordt ingericht. Geen reproducties, maar het echte werk.

Wat een fantastisch nieuws! In 2006 ging de viering van het 400ste geboortejaar van Rembrandt in onze stad nog een beetje als een nachtkaars uit, maar in de aanloop naar 2019, zijn 350ste sterfjaar, komt de verloren molenaarszoon weer thuis en zal veel werk dat hij signeerde met RHL (Rembrandt Harmensz. Leydensis) in zijn en onze stad te bewonderen zijn. In de Lakenhal dus, die – toeval of niet – in 1642 (het jaar waarin Van Rijn in Amsterdam zijn allerberoemdste schilderij voltooide) in gebruik werd genomen. Als Rembrandt dit gebouw in zijn toenmalige industriële functie al heeft gekend, zal hij niet hebben kunnen vermoeden dat zijn vroegste werk juist daar een tijdelijke plek krijgt. Over tweeënhalf jaar is het zover. Nu nog bedenken hoe we de aandacht voor Leiden als dé stad van Rembrandt na 2019 voor eens en voor altijd kunnen vasthouden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Uitblusuurtje

Geert Wilders is een woordkunstenaar. Zijn vaak creatieve formuleringen, die eerder thuishoren in het theater dan in de Tweede Kamer, spreken tot de verbeelding en verklaren voor een belangrijk deel zijn succes. Hij introduceerde niet alleen nieuwe samenstellingen (kopvoddentaks, tuigdorp, bedrijfspoedel, heimweeschotel), maar eigende zich ook bestaande woorden toe: knettergek bijvoorbeeld, en sinds twee weken is ook het woord ‘revolte’ onlosmakelijk met hem verbonden.

Een revolte, een volksopstand dus. Dat staat ons volgens de nepblondine te wachten als de PVV in maart 2017 de grootste partij blijkt, maar bij gebrek aan politieke danspartners toch in de oppositiebankjes moet plaatsnemen. Hij kan het zaadje maar vast geplant hebben… Leiden kent gelukkig nog altijd geen lokale PVV-afdeling – hier neemt het groepje Kok die honneurs waar -, en aan revoltes doen we hier ook al niet. Wel riepen, aan de andere kant van het politieke spectrum, Leidse GroenLinksers onlangs op tot een revolutie.

Een dance revolutie, om precies te zijn. Waar anderen het Leidse uitgaansleven graag verrijkt zouden zien met een Pathé en een KFC, moet volgens GroenLinks in onze stad meer gedanst kunnen worden, terwijl de aangescherpte regelgeving de mogelijkheden daartoe juist verder beperkt. Ik ben zoals u al begrepen had geen PVV’er, denk dan ook niet alleen aan mezelf en gun ook anderen hun vrijheid, dus van mij mag het – al heb ik zelf niks met dansen. Het zal de leeftijd zijn, maar ik voel mij dan toch meer aangetrokken tot het vorige week door het stadsbestuur geïntroduceerde ‘uitblusuurtje’ (het had een Wilders-woord kunnen zijn): een rustige nazit, zonder muziek, tijdens het laatste uurtje voor sluitingstijd. Mij klinkt dát dus als muziek in de oren, en dat dan liefst de hele avond.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Vind ik leuk

Leiden en Facebook… als ik heel eerlijk ben kan ik er weinig zinnigs over zeggen, want ik ben niet zo’n facebooker. Ik weet wel dat veel Leidse winkels, restaurants en verenigingen op Facebook actief zijn, maar hun posts gaan voor het grootste deel aan mij voorbij. Vorige week was er echter geen ontkomen aan: op het sociale platform waren los van elkaar twee petities gestart die op zijn minst suggereren dat het uitgaansleven in onze stad wel een boost kan gebruiken.

Een Facebook-pagina die pleit voor de opening van een Pathé-bioscoop in Leiden heeft op het moment dat ik deze column schrijf 445 vind-ik-leuks. De petitie die – God en Joost mogen weten waarom – het fastfood-aanbod in onze stad zou willen uitbreiden met een Kentucky Fried Chicken scoort zelfs 1349 likes. Toen ik deze laatste pagina via Google probeerde te traceren, stuitte ik trouwens op een actueel nieuwsbericht over een vrouw die bij een KFC in het Britse Wellingborough rauwe ingewanden in haar kipkluifje had aangetroffen. Ik weet niet hoe u erover denkt, maar ik wacht al jaren met smart op een ‘Vind ik niet leuk’-knop.

Wat ik dan weer wél leuk vind, is dat de Leidse universiteit – ook al vorige week – een wetenschappelijk onderzoek naar het sociale medium aankondigde. Het aan de mooiste straat van de stad gevestigde reclamebureau Just daagt facebookers al sinds 2014 uit het platform 99 dagen links te laten liggen en stelt de resultaten van dit project, waaraan al zo’n 45.000 vrijwilligers deelnamen, ter beschikking van de wetenschap. Uit het onderzoek, waarvoor Leiden de krachten bundelt met de VU, moet blijken welke factoren het voor Facebook-verslaafden zo moeilijk maken om af te kicken. Want stoppen met Facebook, dat schijnt – zoals ze in Kentucky zo mooi zeggen – nog een hele kluif te zijn.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column