Maandelijks archief: april 2016

Biertje?

De voormalige Prins Pils is nu onze koning, en op Zijne Koninklijke Gezondheid wordt vandaag ook in Leiden op verschillende feestlocaties menig biertje gedronken. Best lekker natuurlijk, zo’n evenementenbiertje, dat in veel gevallen onder de rook van onze stad gebrouwen zal zijn, maar de echte bierliefhebber loopt daar niet langer warm voor. En echte bierliefhebbers zijn er steeds meer. Speciaalbieren winnen nog altijd aan populariteit, niet alleen in de horeca maar ook thuis, en lokale brouwerijen schoten de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond.

In 1918 sloot de laatste Leidse stoombierbrouwerij, De Posthoorn, de deuren. Bijna een eeuw later, in 2004, werd Brouwerij Leidsch Bier opgericht. Het Leidsch Blond van deze brouwer is in veel lokale cafés en restaurants op de tap te vinden, en ook de IPA (‘Aaipiejee’) vindt gretig aftrek. Smaken verschillen natuurlijk, maar zelf ben ik meer gecharmeerd van de bieren die brouwerij Pronck hier sinds 2014 produceert – van hun India Pale Ale ben ik zelfs een groot liefhebber. En ik ben niet de enige: vorig jaar was het bier dat zij speciaal voor de Twee Spieghels brouwen – met onder meer citroengras – al goed voor een derde plek in een landelijke huisbiercompetitie en deze maand was er zelfs internationale erkenning: in Lyon sleepte het Spieghelbier een gouden medaille in de wacht.

Aan het begin van de Aalmarkt verwelkomde, ook deze maand, ‘eeterij en proeverij’ Het Stadsbrouwhuis (niet te verwarren met het Stadsbouwhuis aan de Langegracht) zijn eerste gasten. ‘City brewery’ staat er fier in het embleem. Ook hier Leidse bieren op de tap, van mij onbekende microbrouwerijen als Vrije Vogel en CasXcade. De studentenstad van Prins Pils is en blijft dus een stad van ontdekkingen, óók als het om lokale bieren gaat. Proost!

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Gesloopt

Het heeft even geduurd – een jaar of vijftien -, maar eindelijk is de ontwikkeling aan de centrumzijde van het stationsgebied dan toch begonnen. Met de sloop van de panden aan de Stationsweg en het Schuttersveld is het beruchte ‘Gat van Van de Putte’, dat de treinreizigers die het station verlieten bij wijze van warm welkom jarenlang toe gaapte, een nog veel groter gat geworden.

De sloop van de verschillende gebouwen verloopt uiterst netjes en beheerst. Geen explosieven – een methode die in ons land sowieso weinig gebruikt wordt – en geen sloopkogels ook, maar zorgvuldig strippen van binnenuit en één sloopmachine met een straaltje water tegen opstuivend asbest: de Leidse firma Van Eijk levert wat mij betreft zijn visitekaartje af. Voor fietsers is er aan het Schuttersveld met behulp van een open container een veilige tunnel gecreëerd en voetgangers kunnen via een nieuwe doorgang langs het Ballonpad (een blijvertje, als het aan mij ligt) van en naar het station lopen. Van hinder en overlast is nauwelijks sprake, en dat is op zo’n centraal en druk punt in de stad best een prestatie.

Na de bouwvak al start de bouw van het nieuwe complex, dat ‘De Lorentz’ is gedoopt. Naamgever is de Leidse natuurkundige Hendrik Lorentz, die in 1902 een Nobelprijs in de wacht sleepte. De artist’s impression (of, zoals onder de tekening staat: ‘het illustratieve tekenvoorbeeld’) bij het bouwterrein geeft een heel duidelijk beeld, maar aangezien op illustratieve tekenvoorbeelden zowel letterlijk als figuurlijk altijd de zon schijnt, blijft het spannend hoe uitnodigend deze nieuwe entree van onze stad daadwerkelijk zal uitpakken. Zo zal de tijd uitwijzen hoe tochtig het er wordt. En zelfs of ondernemers er wel een gat in zien om hier kantoor- of winkelruimte te huren moet nog maar blijken.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Uit de verf

In het RembrandtLAB aan de Langebrug, in het trapgevelpandje waar Rembrandt zijn eerste schilderlessen kreeg, is sinds 24 maart te zien hoe zijn verf er op keramiek uitziet. Nauwkeuriger geformuleerd: op basis van een studie naar de verf (kleur, pigment, grondstoffen en recepturen) van vier werken van Rembrandt ontwikkelden vormgevers Maarten Kolk en Guus Kusters een methode om zijn schildersmateriaal anno nu te kunnen reproduceren. Dat klinkt misschien een beetje klinisch, en helaas is het dat ook. Zeker in combinatie met de weinig uitnodigende (nauwkeuriger geformuleerd: taaie, hoogdravende en tenenkrommend slechte) teksten op de website rembrandtlab.com komt Leiden als Rembrandts geboortestad weer eens nauwelijks uit de verf.

Zonder al te veel te willen afdoen aan de inspanningen van Kolk&Kusters lijkt het me op zijn zachtst gezegd geen publiekstrekker. Waarom wil het onze stad maar niet lukken munt te slaan uit de meesterschilder? Wij hebben dan nu wel de verf, maar onze hoofdstad (waar het RembrandtLAB eind mei ook nog eens doodleuk naartoe verhuist) overtroefde ons vorige week meedogenloos door uit het niets met een compleet ‘nieuwe Rembrandt’ op de proppen te komen. Hiervoor werd gebruik gemaakt van data van álle schilderijen van Van Rijn, waarna een 3D-printer aan het werk werd gezet. Het belangrijkste resultaat: een enorme bak publiciteit.

Want het is natuurlijk vooral een gimmick, deze Next Rembrandt. Toch ben ik ervan overtuigd dat het 3D-schilderij, waarvoor onder meer ING, Microsoft en de TU Delft de handen ineensloegen, ontzettend veel bezoekers zal trekken. Dat gaat in onze stad pas lukken als De Lakenhal er in 2018 in slaagt met echt werk van de jonge Rembrandt een expositie van formaat neer te zetten. En laat ik daar nu alle vertrouwen in hebben!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Connecties en collecties

Wij brachten de paasdagen door in Zwolle. Niet dat er in Leiden geen goede restaurants en hotels zijn, maar verandering van spijs doet nu eenmaal eten – en lekker eten, dat kan prima in Zwolle! Natuurlijk ging ik ook in deze Hanzestad weer op zoek naar connecties met Leiden, maar die lagen niet voor het oprapen.

Zwolle telt slechts twee musea. Het bekendste, De Fundatie, springt in het oog door een enorm, beeldbepalend ei op het dak. Leuk voor Pasen, dacht ik nog, maar tegelijk vroeg ik me af of dit in Leiden had gekund. De moderne aanbouw van het Kamerlingh Onnes Laboratorium stuitte immers al op veel weerstand, en alleen al de artist’s impressions van de ‘Efteling-façade’ van De Lakenhal maken bij voorbaat de tongen los. Eigenlijk verbaast het me dat de architect van het Zwolse ei, Hubert-Jan Henket, nooit in beeld is geweest voor de nieuwbouw van De Lakenhal. Hij heeft niet alleen veel ervaring met musea – Henket tekende ook voor de uitbreiding van Boijmans in Rotterdam en het nieuwe Fries museum in Leeuwarden -, maar liet ook in Leiden zijn sporen na: de Wintertuin van de Hortus is van zijn hand.

In De Fundatie vond ik trouwens nóg een link met Leiden: in een tijdelijke expositie is een portretreeks uit de zogenaamde ‘Leiden Collection’ te zien. Deze privéverzameling van de New Yorker Thomas S. Kaplan dankt haar naam aan de vele werken van Leidse fijnschilders die ze bevat. Zo werd voor de prachtige Gerard Dou-expositie in De Lakenhal twee jaar geleden dankbaar uit deze zo’n 200 stukken tellende collectie geput. Kaplan bezit ook drie Rembrandts, die samen met ‘onze’ Brillenverkoper en een verdwenen doek een vijfluik vormden. De connectie is er. Zou het dus niet fantastisch zijn als dit kwartet in 2018 voor een paar maanden in Leiden herenigd werd?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column