Maandelijks archief: juli 2008

Zwerfrokers

Sinds het nieuwe rookverbod van kracht is en er dus ook niet meer in de horeca gerookt mag worden, zijn rokers min of meer dakloos geworden. Ook ik zwerf zo nu en dan door Leiden, lurkend aan een steeds duurder betaald sigaartje. En juist omdat de rookwaar door hogere accijnzen steeds waardevoller wordt, spring ik er steeds zuiniger mee om. Sommige winkels hebben asbakken bij de ingang, waarin ik mijn sigaartje tijdelijk even parkeer als ik naar binnen moet – bij andere winkels leg ik hem in een liefst droog en windvrij hoekje naast de deur (de eigenlijk verboden stoepborden bieden meer dan eens prima mogelijkheden). Heel vaak is mijn sigaar niet de enige, en liggen er nog meer peuken, van mede-zwerfrokers, smeulend te wachten op de terugkeer van hun baasjes.

Twee weken geleden moest ik op het postkantoor op de Breestraat zijn. Mijn pas half opgerookte aromatische vanillesigaartje zette ik zorgvuldig rechtop in het hagelwitte kanariezand van de asbak. Naar binnen, pakje posten, richting uitgang (aansteker al in de aanslag)… peuk weg! Eerste reactie: niet voor herhaling vatbaar. Tweede reactie: ach, het is maar een sigaartje. Ik stapte naar buiten, pakte een verse sigaar uit het doosje, en op het moment dat ik die wilde aansteken, vroeg iemand me om een vuurtje. Een dakloze (soms zijn dingen nu eenmaal in één oogopslag duidelijk) keek me, met míjn sigaartje tussen zijn tevreden glimlachende lippen, verwachtingsvol aan.

Sindsdien ben ik de afgelopen weken nog zeker drie keer geconfronteerd met verdwenen sigaren, en één van die keren, bij het station, ontwaarde ik vervolgens een sigaar rokende straatkrantverkoper. Het rook onmiskenbaar naar vanille. Deze column is dus in de eerste plaats een waarschuwing: Zwerfrokers opgelet, in Leiden zijn rookzwervers actief!

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Leidse Nachtwacht

Vorige week maandag, iets voor middernacht. Over het Noordeinde komen ze aangelopen. ‘Die hards’ noemen ze zichzelf. Ik zou de nog geen dertig Leidenaren gezien het aantal en het tijdstip liever de Leidse Nachtwacht noemen. Met een krans, een mandje vol borrelglaasjes en twee flessen korenwijn wandelen ze naar het beeld van Rembrandt, waar een twintigtal belangstellenden staat te wachen. Een lantaarnpaal floept uit. En even later weer aan. Er wordt wat gepraat en gelachen, de glaasjes gaan rond en worden volgeschonken. In een informeel toespraakje gaat het over ‘Rem’, die er vanaf zijn wolkje schande van spreekt dat hij als wereldberoemde zoon van Leiden door zijn stad vergeten lijkt te worden. De lamp in de stoep, die zijn beeld zou moeten verlichten, is kapot. Om twaalf uur wordt de krans om de nek van de grote meester gehangen en wordt er geproost. ‘Op je verjaardag, Rem!’ klinkt het. Leidseglibber.nl maakt nog maar eens een foto, en een reporter van TV West vraagt zich nog net niet hardop af wat hij hier in godsnaam te zoeken heeft.

Hoe anders was dat twee jaar geleden, op de vierhonderdste geboortedag van Rembrandt van Rijn. Op dezelfde plek, die toen door de politie voor verkeer was afgezet, waren dat jaar duizenden mensen op de been. De NOS deed op tv zelfs rechtstreeks verslag van het eerbetoon. Heel Leiden ging in 2006 met de schilder aan de haal. De middenstand sloeg schaamteloos zijn slag: noem iets wat je kunt eten, drinken of dragen, zet er ‘Rembrandt’ voor, en het was te koop.

Twee jaar later wordt het jaarlijkse Rembrandt-festival ‘teveel gedoe’ bevonden en komen er nog geen vijftig mensen op Rembrandts verjaardagsfeestje. De schilder verdient beter. En dit sympathieke initiatief van de Leidse Nachtwacht al helemaal. Bent u erbij in 2009?

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Yes sir!

Op Werfpop had de organisatie afgelopen zondag drie jonge Japanners in laten vliegen om, als was het een oud ambacht, Leiden te laten horen hoe rockmuziek vroeger ook alweer klonk. Technisch best oké, maar van bezieling was geen sprake. Na drie nummers had ik het dan ook wel weer gehoord, en rustig wandelde ik van het festivalterrein naar de muziektent bij het theehuisje (rock ‘n’ roll!). Van een afstandje herkende ik hem uit duizenden – ik hoorde een Les Paul en een solo die nergens heen ging: de meest overschatte gitarist van de regio had blijkbaar weer een schnabbel. De daaropvolgende solo was echter messcherp en trefzeker, en dus – ik was nog steeds onderweg – begon ik toch weer te twijfelen.

Meestal slaat mijn stemming vrij snel om in mineur als ik de meest overschatte gitarist van de regio hoor spelen. Zelf lijkt hij in zijn solo’s, noch in zijn backing vocals, al te zwaar te tillen aan het verschil tussen mineur en majeur. ‘Yes sir!’ zegt hij na bijna elk nummer. ‘Nee man!’ denk ik nog veel vaker.

De meest overschatte gitarist van de regio bleek vanmiddag gitaarles te krijgen van Danny Lademacher. Ook niet direct een gitaargod, maar wel een gitarist met een enorme staat van dienst binnen de Nederpop. De leerling leek nog nerveuzer dan normaal. Speelde hij een ad lib, dan knalde Lademacher er in overdrive meedogenloos overheen. De meester maakte de meest overschatte gitarist van de regio achter zijn rug om volslagen belachelijk, door zijn blik en zijn houding in een onderonsje met de saxofonist schaamteloos te imiteren. Nee man! Zo ga je niet met je collega’s om, al heb je duizend keer een shot met Herman Brood gezet! De meest overschatte gitarist van de regio keek hulpeloos naar zijn wegwaaiende tekstvellen, en ik… kreeg zowaar medelijden met hem. Yes sir!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column

Ik zie, ik zie…

Vorige week kreeg ik een reactie op mijn column. Dat is meer dan gemiddeld, want meestal kan heel Leiden zich vinden in wat ik hier schrijf. De tekst van het mailtje luidde (en ik citeer het epistel in z’n geheel): ‘column bevat fout’. Nu wist ik dat al. Sterker nog: de column van vorige week bevatte twee fouten. En nog sterker: er stond zelfs een verkeerde titel boven. Maar goed, daar gaat het nu niet om. De schrijver van het mailtje ging er blijkbaar vanuit dat ik nu mijn eigen tekst zou gaan afstruinen, op zoek naar de fout die hij gevonden had, maar me niet uit de doeken wilde doen. Dat is zoiets als een agent die een bekeuring uitschrijft met de tekst ‘zie wetboek van strafrecht’. Of een docent Nederlands die een opstel met een onvoldoende erboven retourneert met de tekst ‘zie Van Dale’.

Zolang het gaat om het terechtwijzen van een falende columnist, is er weinig aan de hand – die heeft toch niets beters te doen dan zijn eigen columns nog maar eens terug te lezen. Maar van de gemeente Leiden mag je toch meer verwachten. 450 winkelpuien in de binnenstad en in ons verder zo schilderachtige stationsgebied blijken niet te voldoen aan de nieuwe regels. De betreffende middenstanders kregen een brief met de strekking ‘Ik zie, ik zie, wat jij niet ziet’. Want wat er dan precies niet deugde, dat moesten ze zelf maar even opzoeken, in het niets aan duidelijkheid te wensen overlatende ‘Modellenboek Gevelreclame’.

Leuk, zo’n puzzeltje. De gemiddelde middenstander in onze bruisende stad verveelt zich bij gebrek aan klandizie doordeweeks toch de tandjes. Pieter van Woensel, de verantwoordelijke wethouder, weet van de prins geen kwaad en is van mening dat met de weinig specifieke brieven voldoende service wordt verleend. Het is maar goed dat hij geen winkel runt…

1 reactie

Opgeslagen onder Column

Bitter appelvlees

Vroeger, toen alles beter was, werden er tijdens de jaarlijkse poëziemanifestatie in de Leidse binnenstad – heel ouderwets – nog gewoon gedichten voorgelezen. In de loop der jaren neigt de invulling van het ooit zo aardige gedichtenavondje echter steeds meer naar artistieke interessantdoenerij waar de meeste aanwezigen liefst gewoon dwars doorheen kwetteren. En geef ze eens ongelijk! Ik verkeerde eerlijk gezegd in de geruststellende veronderstelling dat dit soort vage ongein van overheidswege was verbannen naar Terschelling (kenners zien de rijmwoorden), maar nee: in de categorie onbegrijpelijke kunstuitingen blijkt Leiden zo onderhand over zijn eigen Oerol aan de Rijn te beschikken.

Een man die niet kon zingen kweelde desondanks op Ischa Meijer-achtige wijze een chanson. Door de Nieuwe Rijn dobberde een bed en even later een wit voetje voorbij. Op de gevel van het Stadhuis werden onleesbare teksten van Rimbaud geprojecteerd (iets met ‘bitter appelvlees’ en ‘blondogige kwetteraars’). De man die niet kon zingen bleek ook geen viool te kunnen spelen. Een bassist produceerde teringherrie op de bas die op zijn knieën hing. Op zijn drumstel deed een slagwerker tegelijkertijd ongeveer hetzelfde, maar niets wees erop dat het afgesproken werk was. Ergens in de schaduw werd een immense Komo-zak opgeblazen tot een hoop gebakken lucht. En burgemeester Lenferink keek nog maar eens op zijn horloge.

Zowel ik als het begon me stierlijk te vervelen. Om de zinnen te verzetten deed ik een onderzoekje. Afhankelijk van wie ik voor me had, vroeg ik of hij (dan wel zij) ook zou komen kijken als het regende, als er voetbal op tv was of als er toegangsgeld betaald moest worden. De reacties waren eensluidend: Nee dus. Ik sla volgend jaar hoe dan ook maar eens een beurt over.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Column